Follow the photo’s II

Museum De Pont in Tilburg heeft tot 22 juli een prachtige overzichtstentoonstelling van het werk van Rineke Dijkstra. Wij waren gisteren bij de opening. Altijd weer een belevenis.
Rineke bekijkt haar modellen met een liefdevolle blik, ze tilt ze op en laat ons zien hoe mooi ze zijn. In foto’s en video’s. Ik heb genoten en ga zeker nog ’n keer terug. Met mijn ouders en schoonouders. Zij hebben de serie van hun kleindochters (na Berlijn en Kopenhagen nu voor het eerst in Nederland te zien) nog niet kunnen bekijken. Ze zullen het prachtig vinden.

Weten hoe het allemaal zo gekomen is? Lees: Vondelpark 19 juni 2005 en Follow the Photo’s!

Relikwie

Hoera! Mijn gedicht in het boekje van de Turing Gedichtenwedstrijd 2017.
27624933_708098902713372_2216806742947393356_o

Ruzie in de mijnschacht

Lina en Rens: Au!!!
Robin: Wat gebeurt er?!
Lina en Rens: We knallen met de koppen tegen elkaar
Robin: Maar waarom staan we stil?
Harry: Geen paniek! Geen paniek!
Nisse: Stil! (iedereen is stil)
Robin: Het is wel héél stil
Lina: En héél donker
Harry: Hallo?!
De anderen: Halló?! Is daar iemand? (Rens doet telefoonlicht aan)
Lina: Kut, m’n batterij is nog maar tien procent!
Harry: Nóg ’n keer roepen, allemaal tegelijk
Allen: Hállooooo! Haaaalloooo!
Harry: Schijn eens fatsoenlijk met die telefoons
Rens: (hijgend) ik heb claustrofobie…. het zweet breekt me uit!
Lina: Dat is een overbodige mededeling
Rens: (fel) Wat bedoel je daarmee?
Marie: Ze bedoelt gewoon dat ons allemáál het zweet uitbreekt, toch Lina?
Lina: Nou, ik… áu! Waarom stomp je me?
Robin: Zeg, Marie, heb jij vandaag je gebedje wel opgezegd?
Marie: Ik doe niet meer aan gebedjes
Robin: Ooooo, maar dan is het jouw schuld dat wij hier vastzitten!
Robin en Lina: (quasi plechtig) Engel van God die mijn bewaarder zijt aan wie de goddelijke…
Marie: Hou maar op! Dat gaat nu echt niet meer helpen
Lina: Alsof het óóit geholpen heeft (de jongeren beginnen te lachen)
Marie: Spot er maar weer mee. Die telefóóns die jullie zo verafgoden, díe gaan ons helpen zeker
Nisse: Ik heb geen bereik
Marie: I rest my case
Rens: Nou, die telefoons zijn best wel handig
Harry: Ja, Marie, je moet niet blijven hangen in
Marie: (fel) Het ziet er anders naar uit dat wij allemáál blijven hangen!
Nisse: Ja, kut, waar zijn we?
Lina: Het stinkt hier!
Rens: De jeugd heeft een overgevoelig reukorgaan
Lina: De jeugd?
Harry: Het stinkt hier inderdaad
Marie: Ik ken die geur, dat is… dat is… zilverpoets!
Nisse: Zilverpoets?
Harry: Amoniak
Rens: Ik krijg geen lucht!
Harry: Rustig Rens, rustig, kom hier, ga even zitten
Marie: Robin, geef Rens wat water
Robin: Maar ik heb nog maar een heel klein beetje!
Marie: Hier met die fles!
Robin: Hé! Ze pakt gewoon mijn dopper af! Wie denk je wel dat je bent!
(kooi schudt plotseling heen en weer, iedereen gilt)
Nisse: What the fuck!
Rens: Verdomme, de fles is omgevallen
Robin: Wat?! Nu hebben we helemaal geen water meer!
Harry: Niet zo dramatisch jongen, over vijf minuten staan we buiten
Nisse: Alsof jij dat weet, je lúlt man!
Marie: Hé, niet zo’n grote mond jij!
Nisse: Je bent mijn moeder niet!
Marie: Als ik je moeder was zou je beter opgevoed zijn (de jongeren beginnen te lachen)
Harry: Marie, laat nou. Gaat het weer een beetje, Rens?
Rens: Ja, ja.
Marie: O, moeten we dat pikken? Een béétje respect mag je toch wel van de jeugd…
Harry: Dit is een andere tijd, Marie, en een andere plaats, vergis je niet (en gedempt tegen Rens en Marie) gebroken gezinnen, drugs, dat hadden wij allemaal niet
Lina: Dat hoorde ik!
Robin: Ik ook!
Nisse: Wat een stelletje bekrompen figuren zijn jullie! Alsof in jullie tijd alles rozengeur en maneschijn was, wat een bullshit man!
Marie: Hoezo bekrompen? Vergeet niet dat wij er zijn wéggegaan!
Nisse: Je kunt een Limburger wel uit Limburg halen…
Nisse en Robin: (luid, lachend) maar Limburg nooit uit een Limburger!!!
Robin: Trouwens, júllie ouders bleven alleen maar bij elkaar omdat ze niet móchten scheiden van de kerk
Lina: Inderdaad! En blowen deden jullie misschien niet, maar zuipen des te meer, en jullie lieten je maar wát graag bedwelmen door meneer pastoor met zijn, hoe heet dat… wierook van het volk
Harry: Opium
Lina: Wat?
Marie: Hebben ze nooit van gehoord, Harry, een fatsoenlijk boek lezen is er niet meer bij, ze lopen de hele dag naar vloggers te staren op dat schermpje dat vastgeroest is aan hun hand
Nisse: Godsdienst is opium van het volk, Karl Marx
Rens: Zo zo, deze jongeman kent zijn klassiekers, dat had ik niet gedacht!
Lina: Dát hadden jullie niet gedacht nee!
Nisse: (tegen Marie) Jij hebt niet eens een telefoon!
Marie: Ik heb wél een telefoon!
Nisse: Dat is geen telefoon, dat is een museumstuk
Marie: Hij doet het anders nog prima! (De jongeren bauwen haar na: Hij doet het anders nog prima!)
(Kooi schudt plotseling wild heen en weer, iedereen gilt. Licht aan. Stilte.)

Deze scène schreef ik in opdracht van Milan Schleijpen voor het stuk ‘Onder en Boven de Rivieren.’ In april 2017 drie keer gespeeld in Amsterdam, in januari 2018 drie keer in theater De Buun van Toneelvereniging Excelsior Kerkrade. 

Traditie?

Voor de tweede keer bakten we vandaag wafels, mijn dochters en ik, dus nu is het traditie, toch?
Nou ja, zij bakten ze. Ik maakte gisteren het deeg. Volgens het recept moest dit een nacht rusten dus ik legde het in de koelkast. Was dat wel de bedoeling? Die bol was wel érg hard vanochtend. Dat herinner ik me niet van vorig jaar.
Mijn moeder bakte altijd véél meer wafels dan dit en ze deelde ze met gulle hand uit.
Harde, zoals deze, maar ook grote zachte, met en zonder rozijnen. (Die met rozijnen zijn het allerlekkerst, vind ik.) Iedereen die op nieuwjaarsvisite kwam mocht er zoveel van eten als hij wilde en kreeg bovendien een stapeltje in zilverpapier gewikkeld mee.
Zo ver zal ik niet gaan. Dit is het. Wie ze wil proeven zal ons hoogstpersoonlijk zijn nieuwjaarswensen moeten komen overbrengen.
En snel een beetje, want vorig jaar was die pot in no time leeg.

Een samenzwerinkje om bestwil

‘Wíe heeft heeft dat gedaan?’
   Wij sperden onze blauwe ogen zo ver mogelijk open en riepen om het hardst: ‘Ik niet!’
   Mijn moeder wenkte ons met haar wijsvinger, zoals de heks – knibbel knabbel knuistje – van Hans en Grietje, en sprak dreigend: ‘Dan laat mij maar eens aan de vingers ruiken.’
   In het begin ontmaskerde de schuldige zich zélf, door in een reflex beide handen achter de rug te verbergen. Toen we dat eenmaal doorhadden staken we zonder aarzelen en met een stalen gezicht onze wijsvinger onder moeders neus, maar toch wist ze de boosdoener er telkens weer feilloos uit te pikken en zo is de lust tot liegen mij al snel vergaan.
   Ook gedurende mijn tienerjaren had ik het gevoel dat mijn moeder in mijn hoofd kon kijken. Natuurlijk rook ze niet meer aan mijn vinger (stel je voor!) maar ze wist altijd wat ik dacht en voelde en waarom ik bepaalde dingen deed of naliet. Ze keek dwars door me heen en als ik niet alles spontaan prijsgaf, als ze merkte dat ik probeerde iets voor mezelf te houden, dropen verwijt en teleurstelling van haar gezicht, wat mij een wee gevoel in mijn maag opleverde. Nog steeds als ik niet honderd procent open en eerlijk ben, tegen wie dan ook, voel ik het. Ik lieg dus nooit en hou niets achter. Niet omdat ik zo vreselijk integer ben, maar omdat ik anders misselijk word. Een beetje zoals die jongen in A Clockwork Orange, die misselijk wordt van geweld, nadat ze hem zo geconditioneerd hebben.
   Mijn moeder loog zelf ook nooit, voor zover ik weet. Behalve over dat ene, maar toen ik haar ermee confronteerde gaf ze het onmiddellijk toe. Het was op een mistige dag, het moet eind november zijn geweest. De hele weg van school had ik erover nagedacht en ik viel met de keukendeur in huis: ‘Ik denk dat hij niet bestaat.’
   Mijn moeder liet van schrik een half geschilde aardappel in de pan plonzen en legde haar vinger op haar lippen, ‘straks,’ fluisterde ze.
   Die avond, gezeten op de rand van mijn bed, maakte ze me deelgenoot van het grote geheim en vanaf dat moment zat ik in het complot. Nu móest ik liegen, want mijn jongere broertje en zusjes twijfelden nog totaal niet, en dat wilden mijn ouders voorlopig zo houden. Ik bleef dus gewoon mijn schoen zetten en liedjes zingen samen met de anderen, maar als mijn moeder en ik elkaar dan samenzweerderig aankeken voelde ik me trots en vooral groot.
Pablo-Sinterklaas-1381734642

   Ik mocht helpen met het inpakken van de cadeautjes voor de kleintjes en de sinterklaastijd was nu spannender dan ooit. Elk jaar was er een nieuwe afvallige want zodra een kind kritische vragen begon te stellen werd het ingewijd. Zelf nadenken werd beloond. Mijn moeder voegde geen extra leugens toe om het uur van de waarheid uit te stellen en het woord hulpsinterklaas bestond nog niet. De meeste kinderen vielen ergens tussen hun zesde en zevende verjaardag van het geloof.
   Tegen de tijd dat ik zelf moeder werd lag het anders. Tot mijn stomme verbazing ontdekte ik dat er kinderen waren die in groep ácht nog geloofden. Het liegen was dan ook door professionals overgenomen. Iemand (wíe in godsnaam?) had het Sinterklaasjournaal bedacht. Ik vond het niet om áán te zien maar natuurlijk kwam ik er niet onderuit want het programma werd in de kleuterklas van mijn dochtertje elke ochtend van A tot Z doorgenomen in de kring. Het Sinterklaasjournaal bood een kijkje achter de schermen van het bedrijf Sint Nicolaas en co. waar van alles verschrikkelijk mis dreigde te gaan en op het laatste nippertje toch nog goed kwam. Met de basisschoolkinderen was wekenlang geen land te bezeilen en sommigen begonnen zelfs weer in bed te plassen. Vind je het gek!
   Met weemoed dacht ik terug aan mijn eigen kindertijd, toen de Goedheiligman nog een mysterie was. Je kreeg hem maar zelden te zien. Natuurlijk, de intocht werd ook toen al door de televisie uitgezonden. We zagen de stoomboot aankomen in zwartwit, Sint zelf kwam nooit lang genoeg close up in beeld om precíes te weten hoe hij eruit zag. Wanneer hij op school zijn opwachting maakte zat hij een uurtje in de aula op het podium, praatte wat met de directrice en luisterde, aandachtig knikkend met het gemijterde hoofd, naar de liedjes die we voor hem zongen. Ergens eind november verscheen er onaangekondigd een Piet in de klas om ons heerlijk de stuipen op het lijf te jagen. Hij sloeg hard met zijn roe op onze tafeltjes, bekogelde ons met pepernoten en stormde weer naar buiten, de deur met een harde klap achter zich dichtslaand. We gilden het uit van pret en spanning. Dat was in de hogere klassen, moet ik er wel bij zeggen.
   Het grootschalige georganiseerde bedrog in de kleuterjaren van mijn dochter stond me tegen, maar wat kon ik doen? Tot mijn verrassing vond ik een gelijkgestemde in mijn buurvrouw, een zelfverzekerde moeder van drie, die ik bewonderde. Vanaf dag één had zij open kaart gespeeld met haar kroost. Ze vertelde haar kinderen dat het Sinterklaasfeest en groot spel was, waar iedereen aan meedeed. Iemand speelde Sinterklaas, een heleboel anderen speelden Piet en de rest deed alsof het allemaal echt was en kreeg chocoladeletters en cadeautjes in z’n schoen.
   Wat een fantastisch idee! Dat ik daar zelf niet opgekomen was. Ik volgde haar voorbeeld en het werkte perfect. Met veel plezier en zónder leugens vierden wij jarenlang het sinterklaasfeest met ons dochtertje. Soms vroeg ze me: ‘Mama, jij doet toch die dingen in mijn schoen?’ Dan zei ik: ‘Ssht! Als je het spel niet meespeelt doe ik het niet meer hoor!’

Grote groepen mensen in ons land geloven in complotten en ik vraag me wel eens af; zou dat misschien iets te maken hebben met die grote samenzwering waarvan wij allen in onze prille jeugd het slachtoffer zijn geweest? Is ons vermogen tot volledig vertrouwen daardoor onherstelbaar beschadigd? Mijn jongste zusje moest vreselijk huilen toen ze de waarheid hoorde. Misschien omdat ze de laatste was en dus door ons allemáál voor het lapje gehouden, terwijl er niemand overbleef die zij op haar beurt kon bedotten. Het was echt een beetje traumatisch voor haar. Later heb ik vaker gehoord van kinderen die verschrikkelijk boos en ontgoocheld waren toen ze ontdekten dat ze in de maling genomen waren. Nota bene door hun ouders, hun grootouders, juffen en meesters, oudere broers en zussen! Door iedereen die ze vertrouwden, zelfs door die lieftallige  Dieuwertje Blok van het Sinterklaasjournaal op televisie. Steeds meer wantrouwt men ook de media. Hoogste tijd om schoon schip te maken!
44b8ec2de7f9f8705e7de614af56ee17v1_max_755x424_b3535db83dc50e27c1bb1392364c95a2
   Elk jaar in september berijd ik dit stokpaardje, zodra de pepernoten in de winkels liggen en men weer ruzie begint te maken over Zwarte Piet. Dat laatste wordt zo langzamerhand een traditie op zich. Wat mij betreft eentje om in een grote zak te stoppen en overboord te gooien en dit is hoe ik dat voor me zie:
   In het voorjaar komt er een speciale uitzending van het Sinterklaasjournaal. Vanuit Spanje heeft ons het droevige bericht bereikt dat Sinterklaas overleden is. Met betraande ogen en trillende stem leest Dieuwertje ons de afscheidsbrief van de kindervriend voor. De belangrijkste punten: 1) Sint wil dat zijn lichaam naar Nederland gebracht wordt, omdat hij zo’n heerlijke herinneringen heeft aan ons land. 2) Sint wil gecremeerd worden, want hij gaat natuurlijk zoals hij altijd gekomen is; door de schoorsteen. 3) Alle Pieten krijgen een deel van de erfenis en gaan ander werk zoeken. 4) Sint wil graag dat alle kinderen op vijf december hun schoen blijven zetten en dat de ouders daar dan iets in stoppen. Hij hoopt ook dat de kinderen rond zijn verjaardag veel Sinterklaasliedjes blijven zingen, daar zal hij in de hemel van genieten.

Sinterklaas krijgt uiteraard een koninklijke uitvaart. Zijn kist, een hoogglans witte met zijn gouden staf op het deksel, wordt per stoomboot naar een crematorium gebracht. Overal langs de route staan kinderen zwaaiend met witkanten zakdoeken Dag Sinterklaasje te zingen en alles wordt live uitgezonden door het Sinterklaasjournaal.
Vervolgens blijven we gewoon elk jaar pakjesavond vieren en schoentjes zetten en liedjes zingen. In feite verandert er niets. Alleen de intocht en de bezoekjes van Sinterklaas en natuurlijk die ellendige Zwarte Pieten discussie zijn verleden tijd. In de plaats dáárvan komt er een Sinterklaasmuseum waar de hele geschiedenis van het sinterklaasfeest te zien zal zijn. De mantels en de mijters, de grote boeken met namen, filmpjes van de intochten door de jaren heen, liedjesboeken, pakpapier, de zak en de roe, een snoepwinkeltje met sinterklaassnoep, een expositie van de mooiste kindertekeningen die Sint bewaard heeft, een restaurant waar warme chocolademelk en gevulde speculaas geserveerd wordt, een zaal waar kinderen een Diploma Sinterklaasassistent kunnen halen door cadeautjes mooi in te pakken en via een klimdak door een schoorsteen te klauteren. De urn met de as van Sinterklaas komt buiten het museum te staan, onder een grote boom waarin iedereen zijn verlanglijst mag hangen. En voor ál die mensen die maar niet genoeg kunnen krijgen van het sinterklaasfeest: het Sinterklaasmuseum is het héle jaar open! Niemand hoeft nog tegen zijn kinderen te liegen en de kinderen die nog geboren moeten worden hebben ouders die Sinterklaas nog gekend hebben! Cool!

Uiteraard moet over dit alles in het diepste geheim gebrainstormd worden. Het ‘nieuws’ komt als een donderslag bij heldere hemel en slaat in als een bom. Het wordt gebracht als een voldongen feit en niemand kan er iets tegenin brengen. Al die ouders die hun kinderen steeds weer met de hand op het hart vertelden dat Sinterklaas écht bestaat, kunnen nu niet anders dan hen troosten en doen alsof ze verdrietig zijn. Een waterdicht plan. Al zeg ik het zelf.

Ik stuurde dit afgelopen zomer in naar een essaywedstrijd. Kreeg als reactie dat ze het meer een opiniestuk vinden dan een essay, en dat klopt ook wel.

Klaar voor nieuw schooljaar!

met open raam

Scène voor drie vrouwen

(Twee vrouwen op een tramhalte)
ANTOINETTE: O nee, daar heb je haar.
BERNADINE: Wie?
ANTOINETTE: Aan de overkant. Niet kijken! Wandelstok en rode baret.
BERNADINE: Wie is dat?
ANTOINETTE: Dat is die vrouw die ik vorig jaar een paar keer een pan soep heb gebracht.
BERNADINE: Huh?
ANTOINETTE: Heb ik verteld. Ik was haar bij de Appie tegengekomen.
BERNADINE: Heb je niet verteld.
ANTOINETTE: (kreunend) Ooo… laat in godsnaam die tram hier zijn voordat ze deze kant op komt.
BERNADINE: Je gaat me toch niet vertellen dat je bang voor d’r bent.
ANTOINETTE: Kom jij aan deze kant staan, dan sta ik met mijn rug naar d’r toe, (pakt Bernadine vast en trekt aan haar tot ze andersom staan) zeg me als ze hierheen komt.
BERNADINE: (lacherig) Doe effe normaal.
ANTOINETTE: Nee echt, dat mens is doodeng.
BERNADINE: Ze ziet er anders helemaal niet eng uit. Mooie dame, artistiek, beetje chic zelfs.
ANTOINETTE: Ja (schamper lachje) dat was ook mijn eerste indruk.
BERNADINE: Vertel dan!
ANTOINETTE: Nou, ze stond achter me in de rij, bij de kassa, ze vertelde dat ze de hele dag in de VU was geweest voor bestraling en onderzoeken, ze nam haar baret af – een zwarte had ze toen op, ze heeft de hele kapstok vol liggen – liet me haar nieuwe donshaar voelen, vertelde dat ze moeilijk liep omdat de chemo de zenuwen in haar voeten had aangetast, neuro… nog wat
BERNADINE: Polyneuropathie
ANTOINETTE: Zoiets, enfin, ik hielp haar met haar boodschappen en stelde voor even mee te lopen, dat vond ze heel fijn, ik heb haar trolley helemaal naar drie hoog gedragen en… Wat is er? Komt ze hierheen?
BERNADINE: Nee, toch niet, ze gaat de Kruidvat in.
ANTOINETTE: Pff, godzijdank, maar goed, ik had toevallig die dag pompoensoep, dus ik dacht, kom, ik breng die vrouw een pannetje soep.
BERNADINE: Je bent ook echt precíes mam!
ANTOINETTE: Ja ja, maar zeg nou zelf, het is toch een kleine moeite om iemand die alleen is en oud en ziek, één keer in de week wat soep te brengen en een uurtje gezelschap te houden?
BERNADINE: Een keer in de week? (trekt wenkbrauwen op)
ANTOINETTE: Het was écht gezellig, die eerste keer. Ze was dolblij met de soep en we hebben anderhalf uur heel leuk zitten praten dus de week erna ging ik weer
BERNADINE: En?
ANTOINETTE: toen was ze al een heel een stuk minder gezellig. Zat constant te zeuren dat de mensen tegenwoordig allemaal egoïsten zijn en dat niemand iets voor een ander over heeft en…
BERNADINE: (lachend) Tegen jóu nota bene!
ANTOINETTE: Precíes! Ik zei: laatst heeft anders nog een wildvreemde vrouw je boodschappen de trap op gedragen en heerlijke soep gebracht.
BERNADINE: Wat zei ze daarop?
ANTOINETTE: Niks, maar ze was wel even van haar stuk gebracht, dat zag ik wel en
BERNADINE: Wacht, ze komt uit de Kruidvat.
ANTOINETTE: Welke kant loopt ze op?
BERNADINE: O, o…
ANTOINETTE: Wat? Wát?!
BERNADINE: Ze gaat het zebrapad op.
ANTOINETTE: (kreunend) O néé…
BERNADINE: Maak je niet druk, we schoppen gewoon die wandelstok onder haar vandaan.
ANTOINETTE: (lacht zenuwachtig)
(vrouw met wandelstok en rode baret komt op)
BERNADINE: Ja hoor, ze komt de halte op.
ANTOINETTE: Waar blijft die verdomde tram nou toch?
BERNADINE: (met zware maar zachte stem:) Nu moet je dapper zijn, Bambi!
ANTOINETTE: (haalt diep adem en draait zich om naar de vrouw met de wandelstok) Zo, Claire.
CLAIRE: Zo, Antoinette.
BERNADINE: (Opgewekt) Hé, kennen jullie elkaar? Stel me eens voor!
CLAIRE: (met wandelstok van de een naar de ander wijzend) Ik heb heus wel gezien dat zij jou een heel verhaal stond te vertellen en ik durf te wedden dat het over mij ging!
BERNADINE: (bedachtzaam knikkend) Hmm, ik begin te begrijpen waar je het over had, Antoinette.
ANTOINETTE: Bernadine dit is Claire, Claire dit is Bernadine, mijn zus
CLAIRE: Dat hoef je er echt niet bij te zeggen, dat zie ik zo wel, precies hetzelfde schijnheilige smoelwerk!
ANTOINETTE: Wát?
BERNADINE: Neemt u mij niet kwalijk, mevrouw, maar nu moet ik u toch echt tegenspreken, ik ben een héél ander type dan Antoinette, zij heeft duidelijk het Moeder Theresa-gen, dat in onze familie her en der de kop opsteekt, ikzelf daarentegen…
CLAIRE: (negeert Bernadine) Zogenaamd meelevend en behulpzaam, laat me toch niet lachen! Alles precies afgemeten en op jouw voorwaarden, als het jóu uitkomt en oh wee degene die het in zijn hoofd haalt eens onverwacht langs te komen, die krijgt mooi de deksel op de neus en komt van een kouwe kermis thuis! Je bent een rasechte egoïst, met een mierzoet maar flinterdun suikerlaagje, van aangeleerde naastenliefde, waar je niks niemendal van meent, één grote show, allemaal nep!
ANTOINETTE: (haar mond valt open)
BERNADINE: (schopt de wandelstok van Claire weg, Claire valt, Bernadine vangt haar op) Oeps, niet vallen, mevrouw! Maar wat ik zeggen wou, ik ben dus echt een héél ander type dan Antoinette. Zij is zo hardleers, blijft zich maar ontfermen over allerlei zielepoten, wat op zich natuurlijk prijzenswaardig is, maar…
CLAIRE: (rukt zich los) Blijf met je tengels van me af!
BERNADINE: Neemt u mij niet kwalijk, ik wilde er zeker van zijn dat u weer stevig op uw benen stond, gaat het?
CLAIRE: Denk je dat ik achterlijk ben? Jij schopte tegen mijn stok, ik voelde het heus wel!
BERNADINE: Ik geef het toe, het spijt me heel erg, maar als iemand gemeen doet tegen mijn zusje dan…
CLAIRE: Doe niet zo belachelijk, je zusje is een vrouw van middelbare leeftijd!
BERNADINE: Ja maar ze is heel naïef, weinig mensenkennis. Kán maar niet begrijpen dat sommige mensen alléén zijn omdat… nou ja, omdat gewoon niemand het bij ze uithoudt. Ik zal zorgen dat ze u niet meer lastigvalt. Kom Antoinette, die tram komt niet, wij gaan lopen! Dag mevrouw, fijne middag nog.
(Bernadine en Antoinette gearmd en lachend af. Nagekeken door een verbouwereerde Claire.)

Vak: Toneelschrijven. Opdracht: dialoog met inmenging van derde personage.